
Terug naar Hoofdpagina
KLOPGEEST door Rob van der Wilk


Eindelijk was ze klaar. Vol trots keek Conny om zich heen. Alles was schoon en opgeruimd. Als nieuw. Prachtig wit, gecombineerd met de vele mooie bruine balken die zo karakteristiek waren voor de kapitale herenboerderij. Ze was overgelukkig in haar nieuwe huis. De boerderij stond op een behoorlijk stuk grond en werd omringd door mooie, oude fruitbomen. Hier wil ik altijd blijven wonen, dacht ze...
De boerderij bestond al ruim anderhalve eeuw en had een indrukwekkende geschiedenis. De oorspronkelijke eigenaar was een rijke herenboer. De pachters moesten hard werken voor een karig loon. Op een koude winterdag was de herenboer zomaar van de aardbodem verdwenen. Hij is nooit gevonden; de pachters en dorpelingen hebben hem nooit meer teruggezien. De duvel zélf zou de herenboer gehaald hebben, zo gaat sindsdien het verhaal.Na de mysterieuze verdwijning van de herenboer verpauperde de boerderij. De boerenwoning werd lange tijd niet bewoond en raakte in verval. De plaatselijke bevolking meed de plek, want er werd beweerd dat, als je er ’s avonds in de buurt kwam, je iemand klaaglijk om hulp hoorde roepen. Het was een griezelige plek. Men geloofde dat de getergde ziel van de herenboer er nog altijd ronddoolde. Uiteindelijk werd de vervallen boerderij verpacht aan een zonderling persoon. Hij heette Hendrik. De dorpelingen vertrouwden hem echter voor geen cent. Wie haalt het nou in zijn hoofd om helemaal alleen op die duivelse plek te gaan wonen?
Dat is geen zuivere koffie, zo redeneerde de bevolking. Maar, geld verricht wonderen en naar het scheen had Hendrik daar ruim voldoende van. Hij liet het geld rijkelijk rollen als hij inkopen in het dorp deed. In het dorpscafé trakteerde hij de stamgasten regelmatig op bier en jenever. Dit stemde de plaatselijke bevolking gunstig en Hendrik werd langzamerhand toch geaccepteerd. Ook al bleef men hem wantrouwen. Enkele jaren verstreken. Op een gegeven moment viel het de dorpelingen op dat Hendrik niet meer in het dorp werd gezien. Na rijp beraad besloot men gezamenlijk naar de herenboerderij te gaan om te zien of alles goed was met Hendrik. De dorpelingen vonden Hendrik in zijn woonkamer, waar hij met uitpuilende ogen en blauwe tong aan een touw bungelde dat om zijn gebroken nek was geknoopt.
Het spookt
Conny was 53 jaar, weduwe, met een goed pensioen. Ze had haar leven lang in de stad gewoond, gewerkt en geleefd. Ze miste haar overleden man, ze had altijd van hem gehouden en deed dat nog steeds. Vóór haar man overleed, hadden ze gesproken over hoe Conny verder zou moeten en samen afgesproken dat ze niet de rest van haar leven moest treuren. Ze had haar man beloofd dat ze zou proberen om na zijn overlijden ook vrolijk te blijven. Conny had altijd al ‘buiten’ willen wonen en ging op zoek naar een geschikte plek. Misschien vind ik wel een leuk boerderijtje, dacht ze.
Haar vriendinnen hadden haar afgeraden om op een boerderij te gaan wonen. ‘Je bent dan zo afgezonderd’, hadden ze gezegd. ‘Als er iets met je gebeurt, zit je daar helemaal alleen’. Conny wilde van deze goedbedoelde adviezen niets horen. ‘Er is ook nog zoiets als een auto. Ik ga ‘buiten’ wonen. Ik kan het me permitteren, lekker in de tuin werken, me voornamelijk bezighouden met dingen die ík leuk vind. Wat mij betreft kunnen jullie ieder weekend komen eten en slapen.’ Conny was niet meer van haar idee om ‘buiten’ te gaan wonen af te brengen. Ze stuitte op een oude vervallen boerenwoning. Een flink stuk grond erbij, met mooie oude fruitbomen. Conny zag het helemaal zitten. De boel moest grondig worden opgeknapt, maar de prijs van het vervallen pand was bijzonder aantrekkelijk. De makelaar vertelde haar eerlijk dat het huis geen goede naam had en dat het verhaal ging dat het er spookte. Conny moest er hartelijk om lachen. ‘Spoken bestaan niet’, zei ze. ‘Ik heb er nog nooit een gezien. Spoken bestaan alleen maar in de verbeelding van mensen.’ Ze had haar zinnen op de boerderij gezet en besloot hem te kopen. De verbouwing werd geregeld en op een dag keek Conny trots om zich heen. Alles was schoon en opgeruimd, alles leek zo nieuw en zo prachtig wit. De mooie bruine balken, die je overal in de woning aantrof, vond ze erg mooi. Wat gezellig, dacht ze. Ik blijf hier altijd wonen. De maanden gingen voorbij en Conny vond haar welverdiende rust op de boerderij. Haar vriendinnen zochten haar regelmatig op. Ze waren verrukt van het prachtige bezit en bleven eten en slapen. Ruimte was iets waaraan Conny hier geen gebrek had. Ze bloeide helemaal op. Ze deelde het alleen zijn in haar gedachten met haar overleden man. Ze kon er behoorlijk goed mee omgaan. Natuurlijk miste ze hem, maar ze had het gevoel dat, hoewel ze geen waarde hechtte aan een voortbestaan na de dood, ze haar overleden man toch zo af en toe kon voelen. Ze dacht er verder niet over na, ze geloofde immers niet in het bestaan van spoken. Op een winteravond was ze alleen thuis. Als haar vriendinnen er waren, brandde ze de prachtige open haard, voor haar alleen vond ze dat te veel moeite, maar met de centrale verwarming aan was het toch lekker behaaglijk in huis. Conny had net de tv uitgedaan en zat in gedachten verzonken. Plotseling hoorde ze een vreemd geluid, een geluid dat ze niet eerder had gehoord. Een korte harde tik. Ze luisterde aandachtig of ze nog iets hoorde. Wat is dat?, dacht ze. Er kan toch niemand binnen zijn gekomen? Ik heb alles goed afgesloten. Weer hoorde ze het geluid. Een korte harde tik die door het hele huis leek te klinken. Help!, dacht ze. Dit vind ik eng! Had ik maar een hond in huis genomen, een grote herdershond of zo. Dan zou ik nu niet zo bang zijn. Maar ik moet me niet zo aanstellen. Ik ben toch niet bang voor een paar tikken? Het zal de verwarming wel zijn. Of de houten balken die kraken. Dat is heel normaal in een oud huis. Buiten is het koud en binnen warm. Daar klonk weer dezelfde harde tik door het huis. Conny probeerde zich te verzetten tegen de opkomende angst. ‘Het is gewoon het huis dat kraakt’, zei ze hardop en liep vastberaden naar haar mooie keuken. ‘Ik neem nog een kop koffie, ik wil nog niet slapen.’ Met de koffie in haar hand ging ze terug naar de woonkamer, zette een muziekje op om de stilte, die haar zo plotseling overviel, te doorbreken. ‘Stel je niet zo aan’, zei ze hardop tegen zichzelf, terwijl de muziek zachtjes in de woonkamer klonk. Ze zat behaaglijk in haar stoel en probeerde het voorval van zich af te zetten. Toch bleven haar gedachten bezig met het vreemde geluid dat ze in huis had gehoord. Ze dronk haar koffie langzaam op en de spanning in haar verdween. Drie tikken, dacht ze. Drie tikken, kort na elkaar. Ik heb wel eens gehoord dat dode mensen, geesten, zich melden met drie tikken. Dat zou betekenen dat er een geest in huis is… ‘Hou toch op!’ sprak ze zichzelf toe. ‘Waarom denk ik van die enge dingen… Dat wil ik helemaal niet! Ik geloof niet in geesten.’ Helaas, haar gedachten lieten haar niet meer met rust. Het zal toch niet waar zijn dat het hier spookt? Niemand wilde hier wonen, vanwege die spookverhalen. Daarom heb ik de boerderij voor een aantrekkelijke prijs kunnen kopen. Ik heb daar nooit iets van willen geloven, allemaal bijgeloof, volksgeloof. Praatjes die vroeger verspreid werden. Verhalen die mensen vroeger aan elkaar vertelden. Maar ja… die drie tikken… misschien betekent het echt wel dat er een geest in huis is… Ik moet er niet aan denken! Als ik een geest zou zien, zou ik van schrik dood neervallen, dacht ze. De spanning in Conny veranderde in angst, hoe ze zich daar ook tegen probeerde te verzetten. Het gevoel van ‘bekeken worden’ nam toe. Misschien had ik hier niet moeten gaan wonen. Ik had beter in de stad kunnen blijven. Ik had een mooi appartement moeten huren. Gewoon tussen de mensen. Ach, ik ben niet goed snik, waar ben ik toch mee bezig. Ik zit mezelf hier een beetje bang te maken om niks. Dan wordt plotseling haar aandacht getrokken. Midden in haar kamer ziet Conny een hoeveelheid kleine, bewegende lichtjes. De lichtjes nemen een duidelijke vorm aan. Conny twijfelt aan haar verstandelijke vermogens. Ze ziet de vorm van een mens, die een stukje boven de vloer van de kamer zweeft of hangt. Doodsangst slaat haar om het hart. Conny ziet de materialisatie van een geest. Een persoon waarvan het hoofd wat scheef op de rechterschouder ligt. Ze wordt bijna gek van angst. ‘Ga weg!’ roept ze.‘ga in vredesnaam weg! Laat me met rust! Ga weg!’ Haar angstgevoel neemt volledig bezit van haar. Conny gilt van angst. ‘Ga weg, ga mijn huis uit!’ De geestverschijning in haar kamer verdwijnt en de rust in huis keert terug, maar nog niet in Conny. Ze is totaal overstuur. Dat is ‘m, denkt ze. Dat is die Hendrik die zich hier heeft opgehangen. Wat moet ik doen? Ik kan hier niet tegen. Ik ben bang, Ik ben alleen en ik ben bang. Wat moet die engerd van mij, wat doet hij hier, wat moet ik nu doen? Conny is radeloos. Uiteindelijk komt ze tot rust en besluit om naar bed te gaan. Ze laat overal in huis licht branden. Ze kan de duisternis niet aan. Uren later valt ze eindelijk in slaap. De weken die volgden waren rustig. De geest die ze had waargenomen liet zich niet meer horen of zien. Conny dacht dat ze het zich had verbeeld. Zie je wel, dacht ze opgelucht, dat speelt zich gewoon af in je gedachten. zoiets verbeeld je je maar. Ze had niets van het enge voorval aan haar vriendinnen verteld. Ze was een beetje bang dat ze haar voor gek zouden verklaren. Ze wist ook niet precies hoe ze het hun moest uitleggen. En stel je voor dat ze bang zouden worden en niet meer op bezoek wilden komen. Conny hield haar ervaring maar liever voor zich en probeerde het te vergeten.
Rob van der Wilk's Helderziende Lijn - Direct contact met de Zuiverste Mediums!
Bel: NL: 0909-8050 BE: 0903-40138
Op een nacht wordt ze met een schok wakker. ‘Wat is dat?’ huivert ze. ‘Er is iemand in mijn slaapkamer’. Conny ervaart de schrik van haar leven en krijgt duidelijk voelbaar een volle klap in haar gezicht. Ze huilt van schrik en angst en probeert uit bed te komen. Op dat moment krijgt ze weer een klap in haar gezicht. Haar tranen vliegen in het rond.
‘Hou op!’ gilt ze. ‘Laat me met rust!’ Conny springt het bed uit en holt naar een kamer waar ze snel het licht aandoet. Rillend van angst staat ze doodstil in haar kamer, niet wetend wat te doen. ‘Help, help me, wat is dit allemaal?’ zegt ze hardop. Alsof het nog niet genoeg geweest is, klinkt er een harde klap in de kamer, alsof er een stoel omvalt. O nee, toch niet weer, denkt ze en voelt zich zo hulpeloos. De angst overspoelt haar, heeft haar volkomen in zijn macht. Conny staat stokstijf en ervaart alleen maar angst. Daar begint het weer, die lichtjes midden in de kamer... Ze vormen zich tot de gestalte van een man. Voor haar, in het midden van de kamer, hangt een man aan een touw te bungelen. Het touw is aan een van de houten balken van het plafond vastgebonden.

Voor haar hangt een man aan een touw te bungelen...
Conny kijkt radeloos naar wat ze denkt te zien. Er hangt een dode man, met een touw om zijn gebroken nek geknoopt. Met uitpuilende ogen en opgezwollen tong. Conny verliest het bewustzijn en zakt in elkaar. Even later opent ze haar ogen weer, ze heeft een barstende hoofdpijn. Ze wankelt naar de keuken, drinkt wat water en zet koffie. Ze lijkt rustig, maar denkt huiverend terug aan wat haar vannacht is overkomen. Ze probeert haar ervaringen te overdenken en te begrijpen. Maar, wat ze ook probeert, hier begrijpt ze niets van. Het enige wat ze wél begrijpt, voelt en ziet is dat ze niet langer alleen in de herenboerderij is. Angstig moet ze zichzelf bekennen dat geesten écht bestaan. Dat zij een heel enge geest in huis heeft. Morgenochtend ga ik het toch aan mijn vriendinnen vertellen. Misschien dat zij een oplossing hebben of weten wat ik moet doen, besluit ze. Conny is een beetje opgelucht bij de gedachte dat ze haar verschrikkelijk angstige ervaringen met haar vriendinnen kan delen. Ze komt wat tot rust. ‘Nee!’ Plotseling dringt een stem tot haar door: ‘Nee, je vertelt niets. Het duizelt Conny in haar hoofd en in haar lichaam. Ze valt bijna opnieuw flauw van schrik. ‘Dat heb ík niet gedacht, wat is dat? Ik denk dingen die ik zelf niet denk. Wat gebeurt er toch met me!?’ Tranen rollen over haar wangen. Conny durft zich amper te bewegen of adem te halen. Dat heb ik niet zélf gedacht. Dat was iets anders. Alsof er iets door mijn gedachten heen sprak. Ik bel wél morgen mijn vriendinnen op, denkt ze krachtig. ‘Nee, je doet helemaal niets!’ klinkt het weer in haar hoofd. Conny krimpt in elkaar. ‘Ik ben gek geworden. Ik heb mijn verstand verloren. Hoe moet dat nu, dit is niet normaal meer!’ Conny is bang dat het allemaal waar is wat haar overkomen is. Tegelijkertijd is ze bang dat het niet waar is. ‘Als het waar is, dan is het verschrikkelijk. Maar, als ik me dit inbeeld, dan ben ik ziek.’ Buiten wordt het langzaam licht en ze besluit om haar huis eens grondig te gaan verkennen. Dapper en vol nieuwe moed loopt ze door haar woonkamer, waar alles heel gewoon is. Zoals overal in huis. Er is niets schokkends te zien of te voelen. Haar zelfvertrouwen keert stukje bij beetje terug en ze haalt weer opgelucht adem. ‘Ik maak me veel te druk. Ik ben gewoon een beetje overspannen. Je hoort wel meer dat mensen in overspannen toestand dingen zien ofdenken die er helemaal niet zijn.’ Conny neemt een warm bad en kleedt zich aan. Na een stevig ontbijt met een paar koppen sterke koffie gaat ze naar de tuin. Wat is het hier toch prachtig! Natuurlijk is het goed dat ik buiten ben gaan wonen. Dat is veel beter voor een mens. Iedereen zou buiten moeten wonen, denkt ze. Het is iets minder leuk als je alleen woont, maar hoeveel mensen wonen er niet alleen, ik moet gewoon niet zoveel piekeren. Het is allemaal onzin, die spookverhalen, misschien heb ik het allemaal gedroomd. Ik wacht er ook maar even mee om dit allemaal aan mijn vriendinnen te vertellen. Dadelijk denken ze nog dat ik hier in mijn eentje een beetje gek ben geworden. Straks ga ik boodschappen doen en zet het hele voorval gewoon uit mijn hoofd. Enkele weken gaan voorbij en hoewel Conny nog wel denkt aan de ervaringen die zij heeft gehad, is de angst weg. Haar vriendinnen zijn ook nog bij haar geweest, het was erg gezellig. Ik zal het allemaal wel gedroomd hebben. Ik geloof niet meer in sprookjes. Ik geloof ook niet in Sinterklaas en zeker niet in spoken! Als de makelaar mij die voorgeschiedenis van de boerderij niet verteld had, dan had ik dit nooit zo ervaren. Het is allemaal in je onderbewustzijn opgeslagen, je hoort eens wat en later denk je dat je dat zelf bedacht hebt. Ik heb wel eens gehoord dat je onderbewustzijn, wat dat dan ook wezen mag, je dingen kan laten geloven of beleven die je vroeger ooit eens gezien of gehoord hebt. Het is allemaal mijn eigen fantasie, denkt ze. Conny leeft rustig, slaapt rustig en probeert te genieten van haar mooie huis en de prachtige landelijke omgeving. Als ze ’s nachts gaat slapen, laat ze uit gewoonte een paar schemerlampjes branden in huis. Totale duisternis vindt ze niet meer zo prettig.

Rob van der Wilk
De man van mijn dromen
’s Nachts in haar vertrouwde omgeving valt ze tevreden in slaap. Conny slaapt rustig en droomt dat er iemand bij haar in bed kruipt die zachtjes tegen haar aan komt liggen. Conny geeft zich aan haar droombeleving over, rustig ligt ze wat onregelmatig ademend te slapen. ’s Morgens als ze opstaat, voelt ze zich opperbest. Vrolijk en opgeruimd doet ze haar dagelijkse dingen. Haar vriendinnen waren bij haar geweest en zij vonden dat ze er zo goed uitzag. ‘De buitenlucht doet je goed,’ hadden ze gezegd.

Hendrik
Hendrik nam zijn laatste slok jenever en dacht: Ik stop ermee. Zijn gedachten waren beneveld door de alcohol. Het ging niet goed met hem. Ik heb mijn laatste glas jenever gedronken. Nu houd ik ermee op, dacht hij. Ik ben het leven zat, meer dan zat. Hij pakte een stuk touw en een houten kruk, klom erop en knoopte het touw aan een van de houten balken van het plafond vast. Daarna knoopte Hendrik het andere eind van het touw om zijn nek, trok het stevig vast en schopte de kruk onder zijn voeten vandaan. De kruk viel met een harde klap op de stenen vloer. Hendrik bungelde spartelend met zijn handen en voeten 50 centimeter boven de vloer. De adem werd hem afgesneden en Hendrik stierf een verschrikkelijke dood. Zijn stervende lichaam schokte zo hevig dat zijn bijna afgeknepen nek brak. Op het moment dat Hendrik zijn nek brak, hoorde hij een vreselijk gekraak in zijn hoofd, alsof zijn hoofd uit elkaar spatte. Beneveld door de pijn en de jenever gaf hij de geest. Daarna was alles donker en het leek wel of hij deel uitmaakte van de vloer, de muren en het plafond. Iets van hem was door de schok van zijn sterven uit elkaar gespat en had zich overal verspreid.Ik ben dood, dacht Hendrik, maar, ik zit nog vast in de boerderij. Ik zit vast in dit vervloekte huis. Hendriks lichaam was dood, maar zijn geest niet. Zijn geest zat nog vast op de plaats waar zijn lichaam was gestoven. Hendriks geest bleef gevangen in de boerderij. Nadenken kon hij niet meer, het was een kwestie van ervaren. Tientallen jaren gingen voorbij. Tot het moment dat zijn stilte doorbroken werd door de komst van een nieuwe eigenaresse. De boerderij werd
grondig opgeknapten Hendrik, die nog steeds gevangen zat in de ziel van het huis, werd stukje bij beetje wakker geschud uit zijn jarenlange stilte. De getergde ziel van Hendrik voelde warmte, waardoor zijn geest weer tot bewustzijn kwam. Hij wrikte zich los uit de ziel van de boerderij. Drie harde tikken weerklonken door de boerderij. Hendrik kwam
vrij, uit alle hoeken en gaten van de boerderij. De geest van Hendrik werd door de energie van de nieuwe bewoonster gevormd. De warmte die hij voelde kwam bij elkaar en weerspiegelde zijn spookbeeld, hangend aan een touw, in zijn voormalige woonkamer. Zijn spookachtige verschijningen en het vermogen om waar te nemen namen vorm aan.
Hendrik nam beelden waar die hij nog niet eerder gezien had. Zijn blik werd getrokken naar een in angst verkerende, schreeuwende vrouw. Ga weg, laat me met rust. Ga mijn huis uit!’ riep ze. Hendrik wilde niets met deze krijsende vrouw te maken hebben en verdween uit haar gezichtsveld. Hendrik was niet gebonden aan tijd, dag of nacht. Hij was geen mens meer van vlees en bloed, maar een geest die bestond door energie. Een geest die vastzat aan de plek waar zijn lichaam was gestorven. De energie die Conny via haar persoonlijkheid in de oude boerderij had gebracht, was er de oorzaak van dat de vastzittende geest van Hendrik loskwam uit de oude structuur van de boerderij. Conny
had de oude boerderij weer tot leven gebracht, waardoor de geest van Hendrik vrijkwam en door het huis doolde. Toen hij nog leefde als mens van vlees en bloed had hij bepaald geen succes met vrouwen gekend. Hendrik had het nooit zo op vrouwen gehad. Nu was dat anders. Hij doolde door de boerderij en kon wekenlang op dezelfde plaats blijven,
zonder de behoefte zich te verplaatsen. Hij bevond zich al enige tijd bij Conny, in haar slaapkamer. Hij zag hoe ze haar nachtjapon aandeed. Op een bepaalde wijze vond hij dat interessant. Het deed hem wel iets. Het herinnerde hem aan iets wat hij als mens gekend had. Terwijl Conny in een rustige slaap lag, werd er iets in hem wakker geroepen. Hij bevond zich in een hoek van de slaapkamer en verplaatste zich naar haar bed. Hijwilde haar aanraken.Met een schok wordt Conny wakker en kijkt verschrikt om zich heen.Hendrik geeft haar een volle klap in het gezicht, waarna ze uit alle
macht het bed uit probeert te vluchten. Hendrik probeert haar tegen te houden en geeft haar weer een volle klap in haar gezicht. Huilend van angst springt ze haar bed uit, holt naar de woonkamer en doet snel het licht aan. De aanraking die Hendrik voelt, terwijl hij haar in haar gezicht slaat, doet hem iets. Het geeft hem een bepaald gevoel van macht. Hij verplaatst zich naar de woonkamer waar Conny zich bevindt. Hij laat zich aan haar zien, bungelend aan het touw. Hij beleeft daar een zeker genoegen aan en realiseert zich plotseling dat hij door de verhoogde angst en spanning die Conny in haar wanhoop vrijlaat, haar gevoel en gedachten mee kan beleven. Dit versterkt zijn geestelijke macht. Als Hendrik merkt dat ze andere mensen van zijn aanwezigheid op de hoogte wil stellen, voelt hij zich bedreigd en op brutewijze breekt hij bij haar door. ‘Nee!’ zegt hij dreigend in haar oor. ‘Jij vertelt niets!’. De angst en spanning in Conny werkt voor Hendrik als een bliksemgeleider. ‘Nee, jij doet helemaal niets!’ schreeuwt hij in haar. Conny krimpt van angst in elkaar en denkt dat ze gek wordt. Met een gevoel van macht laat Hendrik haar met rust en verplaatst zich naar de slaapkamer van Conny, waar hij haar enkele weken in stilte bekijkt. Hendrik heeft geen hinder van warmte of koude en is niet gebonden aan dag of nacht. Denken doet hij weinig. Hij ís er gewoon en voelt zich sterker worden door de energie van de vrouw in de slaapkamer. Dan verplaatst hij zich naar het bed van de rustig slapende vrouw en drukt zichzachtjes tegen haar aan. Conny heeft de laatste tijd bijzondere dromen. Dromen die haar een prettig gevoel geven, maar die zij zich niet werkelijk kan herinneren. ’s Avonds gaat ze met een prettig gevoel naar bed om te slapen en om tedromen. De spookverschijnselen die zij eerder in haar huis heeft meegemaakt, probeert ze te vergeten. Alles is rustig in huis en ze geniet van het leven. Haar vriendinnen blijven regelmatig bij haar op bezoek komen. Op een dag denkt ze over haar droombelevingen na. Mijn droom heeft te maken met een man. Ik droom over een man, misschien wel over de man van mijn dromen, denkt ze lachend. Het zal toch niet mijn overleden man zijn van wie ik regelmatig over droom? Terwijl ze dit denkt, valt het haar op dat zij de laatste jaren juist niet meer zoveel aan hem denkt. Alles slijt, denkt ze een beetje schuldig. ‘Maar toch is het vreemd. Ik voel me net een puber, maar ik lijk wel verliefd. De enige man op wie ik in mijn leven verliefd ben geweest, was mijn overleden man. Maar aan hem denk ik juist steeds minder. Conny moet een beetje lachen om de dingen die ze denkt. Ze weet dat ze droomt, maar ze weet niet precies wát ze droomt. Ze weet wel dat het een prettige droombeleving is, die verband houdt met een man. Zebesluit een paar boeken over dromen te kopen. De boeken die ze leest vindt ze hoogst interessant. Het wordt haar duidelijk dat het mogelijk is om met gebruik van hypnose dromen terug te halen en opnieuw te beleven. Dromen zijn in je onderbewuste herinnering aanwezig, zo hadze ergens gelezen. Conny besluit naar een hypnotherapeut te gaan.
Het bekendste spookhuis ter wereld in Amityville
Voor me zit een aantrekkelijke vrouw van middelbare leeftijd. Met een jeugdige uitstraling. ‘Ik heb geen problemen’, zegt ze, ‘maar een vraag. Ben ik dan ook goed bij u?’ ‘Vraag maar wat je wilt.’’ ‘Het is wel een beetje vreemd om te vertellen, maar ik droom waarschijnlijk al jaren achter elkaar hetzelfde. Het vreemde is, dat ik niet eens wil dat die droom ophoudt. Ik wil graag weten wat ik droom. Ikheb geen problemen met mijn dromen, ik ben niet bang en ik heb geen verdriet. Ik heb natuurlijk wel verdriet gekend, zoals ieder ander mens. Toen mijn man overleed heb ik daar veel verdriet van gehad. Maar, sinds ik op het platteland ben gaan wonen is dat een stuk minder geworden. Ik kan het gewoon niet uitstaan, dat ik niet precies weet wat ik ’s nachts droom.’ ‘Heb je enig idee waarover die droom gaat?’ vraag ik. ‘Is er iets dat je je ’s morgens wel herinnert van de droom?’‘Ja’, zegt ze. ‘Ik heb daar wel een idee van, maar ik weet het niet zeker. Ik denk dat mijn droom te maken heeft met een man, de man van mijn dromen. Ik vind het wel gek om te zeggen, maar het is net of ik verliefd ben maar ik zou niet weten op wie. Ik heb dit nog nooit aan iemand verteld’, zegt ze een beetje verlegen. ‘Nu ik erover praat, klinkt het net alsof ik als alleenstaande vrouw naar een man zou hunkeren, dat is niet zo. Na het overlijden van mijn man denk ik wel eens dat het jammer is om alleen te leven, maar om weer een nieuwe relatie met een man aan te gaan: ik moet er niet aan denken. Als je op mijn leeftijd weer aan eenrelatie begint, krijg je toch een man die bij je leeftijd aansluit, met al zijn nukken en gewoonten. Die heb ik natuurlijk zelf ook, maar nu ik alleen ben, hoef ik aan niemand verantwoording af te leggen. Ik doe wat ik wil en dat bevalt me uitstekend. Nee, ik wil geen man meer om mee samen te leven, laat mij m’n gang maar gaan. Jij zou natuurlijk kunnendenken dat ik naar een man verlang en zoiets in mijn onderbewustzijn creëer en daar dan ’s nachts over lig te dromen, als een soort verborgen verlangen’, zegt ze lachend. ‘Ik heb daar wel eens over gelezen. Ik weet dat dat soort dingen voorkomen. Je onderbewuste wensen en verlangens kunnen vreemde dingen met een mens doen. Als het zo is dat mijn onderbewustzijn mij mijn regelmatige droom laat beleven, dan wil ik dat ook graag weten.” Conny komt over als een vrouw die weet wat ze wil. Toch voel ik iets ondefinieerbaars bij haar wat ik nog niet kan plaatsen. Ze is erg resoluut in de dingen die ze zegt en legt, te veel, de nadruk op het feit dat ze geen problemen heeft. Ik voel dat Conny iets verbergt. Als het niet van belang is, zal ik er niet over beginnen. Als ik haar behandel, komt uiteindelijk toch alles eruit wat eruit moet komen. Conny heeft geen enkele weerstand tegen hypnose en glijdt zonder moeite in een hypnotische trance. Ze lijdt niet aan diep weggestopte, traumatische ervaringen. Ze wil weten wat zij al die jaren regematig droomt. Haar droombeleving mag dan wel binnen in haar onderbewuste aanwezig zijn, maar ligt heel dicht bij haar bewuste herinnering, waar ze net niet bij kan komen. Ik leid haar naar haar droombeleving toe en vraag haar wat ze droomt. Conny antwoordt: ‘Ik lig in mijn bed en ik geloof dat ik slaap. Ik lig niet alleen. Er ligt een man naast me in bed op wie ik erg gesteld ben. Ik kan zijn gezicht niet zien. Ik voel hem meer dan dat ik hem zie. Hij is geen vreemde voor me. Ik geloof dat ik hem nu kan zien, het is heel vreemd, het is net alsof hij in het niets oplost. Het is echt heel vreemd, hij loopt niet naar de deur, hij gaat de kamer niet uit. Hij verdwijnt in een hoek van mijn kamer. Ik ben helemaal niet bang of zo. Ik heb het gevoel dat ik deze man al jaren ken. Alleen kan ik zijn gezicht niet duidelijk zien.’
Na de zitting is Conny stil, wat ingetogen zit ze met haar hoofd te schudden, alsof ze ‘nee’ wil zeggen. ‘Dit klopt precies met wat ik voel’, zegt ze. ‘Hoe kan dat nou? Hoe kun je nou dromen dat je met een man in bed ligt en dat je dan ook nog de gevoelens ervaart die je in het bewuste leven ook ervaart?’ Conny schaamt zich voor wat ze denkt en zegt. ‘Misschien ben ik wel een beetje gek of zoiets. Laten we eerlijk zijn, dit is toch niet normaal?’ Als Conny later weer bij me komt, ziet ze er niet goed uit. Haar spontaniteit en haar vrolijkheid zijn ver te zoeken. Maar ze is blij om mij te zien. ‘Ik denk dat ik weet wie die man in mijn dromen is.’ Ze barst in snikken uit. Terwijl ze de tranen uit haar gezicht veegt, zegt ze: ‘Ik ben zo bang geworden, ik weet niet meer wat ik moet doen. Dadelijk stoppen ze me nog in een gekkenhuis. Ik durf dit ook niet aan iemand te vertellen. De mensen zouden toch denken dat ik niet goed bij mijn hoofd ben. Zeg nou eens eerlijk, denk jij dat ik gek ben?’ Conny vertelt me het volledige verhaal over de spookervaringen die zij de afgelopen jaren op de boerderij heeft gehad. Voor haar is het de geest van Hendrik die ’s nachts bij haar in bed kruipt. Conny kan zich er niet aan onttrekken dat ze moet slapen. Daar is geen ontkomen aan.
Conny komt nu vaker bij me. Ik bespreek alle mogelijkheden met haar en breng haar regelmatig in hypnose, maar kom niet verder dan haar droomervaring die zich blijft herhalen. Van Hendrik zelf is geen spoor te bekennen. Ik adviseer haar een tijdje bij haar vriendinnen in te trekken. Ik wil weten of dat in Conny’s onbewuste gevoelsleven verschil maakt.Ze neemt haar voorlopige intrek in een hotel in de stad, waar zij vandaan kwam. Haar vriendinnen wil ze niet lastigvallen met haar spookachtige ervaringen. Conny schaamt zich en is bang dat zij zich tegenover hen belachelijk maakt. Ik constateer dat er, sinds zij niet meer op haar boerderij woont en slaapt, er geen sprake meer is van droomervaringen. Conny is opgelucht en voelt zich in vele opzichten beter. Haar zelfvertrouwen keert zienderogenterug nu zij ervan overtuigd raakt dat het niet aan háár ligt, maar aan het huis waar zij woont. Ik sluit geen enkele mogelijkheid uit. ‘Het is niet onwaarschijnlijk Conny, dat je last hebt van een klopgeest, een poltergeist’, zeg ik. Ze is zichtbaar opgelucht. ‘Ik sluit zo’n fenomeen niet uit. Heb jij er al eens over nagedacht om te verhuizen?’ vraag ik haar. ‘Ja’, zegt ze. ‘Ik weet niet meer wat ik moet doen. Denk jij dat ik beter kan verhuizen?’ ‘Ik kan niet voor je beslissen, maar het is een mogelijkheid waarover je kunt nadenken. Als je teruggaat naar je boerderij en je realiseert je wat jij daar de afgelopen jaren hebt meegemaakt, denk ik dat je daar niet meer zo prettig woont.’ ‘Nee’, bekent ze. ‘Ik moet er niet aan denken om daar weer te slapen.’ Conny neemt een definitieve beslissing. Terwijl ze nog in het hotel in de stad verblijft, zoekt ze een leuk appartement. De boerderij wordt opnieuw te koop aangeboden, door dezelfde makelaar van wie Conny de boerderij gekocht had. Nieuwsgierig kijkt de makelaar haar aan. ‘Bevalt het buitenleven niet meer?’ vraagt hij. ‘Nee’, antwoordt ze, ‘het buitenleven is te zwaar voor mij.’ De boerderij staat nu te koop, maar het lijkt wel of niemand er wil wonen. De dorpelingen mijden de plek.
Het verhaal doet de ronde, dat als je ’s avonds in de buurt van de boerderij komt, je iemand om hulp hoort roepen…
Rob van der Wilk, 1995
Bronvermelding:
‘Je hoeft niet bang te zijn’ Rob van der Wilk
uitgeverij ParaVisie, 1995
ISBN: 90.5639.0023
Klik hier om te reageren op dit artikel in Rob van der Wilk's gastenboek!
Copyright © Rob van der Wilk's Paradidakt
Het auteursrecht op de teksten en merknamen gebruikt in deze publicatie behoren toe aan: Rob van der Wilk's Paradidakt - En zijn auteursrechtelijk beschermd.
Uit deze publicatie mag niets vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, opnamen, internet (World Wide Web), of op welke andere wijze ook, hetzij chemisch, electronisch, mechanisch of virtueel.























